Ondernemers, die in 2017 in een ander EU-land btw hebben betaald, kunnen deze btw terugvragen wanneer zij in dat land geen aangifte doen. Een verzoek om teruggaaf over 2017 moet vóór 1 oktober 2018 zijn ingediend. Dat kan via de website van de Belastingdienst:https://eubtw.belastingdienst.nl/netp/. Verzoeken die later binnenkomen worden mogelijk niet meer in behandeling genomen. Houd er rekening mee dat u voor een verzoek om teruggaaf inloggegevens nodig heeft. Wanneer het een eerste verzoek om teruggaaf van btw uit een ander EU-land betreft, moeten inloggegevens worden aangevraagd. Volgens de Belastingdienst kan het tot vier weken duren voordat de inloggegevens worden verstuurd.

Voorwaarden verzoek teruggaaf
U kunt btw terugvragen uit een EU-land als u aan een aantal voorwaarden voldoet:
• Uw onderneming is in Nederland gevestigd.
• Uw onderneming doet in het EU-land, waar de btw wordt teruggevraagd, geen aangifte voor de btw. Doet de onderneming in het buitenland wel aangifte, dan kan de btw daar als voorbelasting in aftrek worden gebracht.
• De btw heeft betrekking op goederen en diensten die voor met btw belaste bedrijfsactiviteiten worden gebruikt.

Verzoek om teruggaaf niet mogelijk
Een verzoek om teruggaaf van btw uit een ander EU-land is niet mogelijk in de volgende gevallen:
• U bent geen ondernemer voor de btw.
• Uw onderneming verricht uitsluitend vrijgestelde prestaties.
• U heeft een ontheffing van administratieve verplichtingen.
• U valt onder de landbouwregeling en voldoet niet aan de voorwaarden voor de teruggaafregeling van agrarische goederen.

Behandeling verzoek
De Belastingdienst van het EU-land waar de btw wordt teruggevraagd reageert binnen vier maanden bij beschikking op het verzoek om teruggaaf. Een verzoek wordt afgekeurd of geheel of gedeeltelijk goedgekeurd. Als het verzoek wordt goedgekeurd, volgt de betaling uiterlijk binnen tien werkdagen na afloop van de termijn van vier maanden.

Bijlagen bij verzoek
Afhankelijk van het EU-land waar btw wordt teruggevraagd moeten mogelijk facturen of invoerdocumenten worden meegestuurd. Op de website van de Belastingdienst is te vinden welke vereisten gelden per EU-land. Omvat een verzoek om teruggaaf een creditfactuur, dan moeten er mintekens voor het factuurbedrag en het btw-bedrag worden geplaatst zonder spatie tussen het minteken en het bedrag. Een creditfactuur die betrekking heeft op een factuur die in een eerder verzoek om teruggaaf is meegenomen moet aan het eerstvolgende verzoek om teruggaaf worden toegevoegd.

Bron: Belastingdienst | publicatie | 30-08-2018

Ondernemers hebben in beginsel recht op aftrek van de omzetbelasting die andere ondernemers voor leveringen en diensten in rekening hebben gebracht. Niet alle in rekening gebrachte omzetbelasting is aftrekbaar. Het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968 (BUA) beperkt de aftrek van voorbelasting in een aantal specifieke gevallen. De aftrek is uitgesloten voor relatiegeschenken aan personen of ondernemingen die zelf geen of een beperkt recht op aftrek van voorbelasting hebben, zoals overheden en btw-vrijgestelde ondernemers. Ook is de aftrek uitgesloten voor allerlei diensten aan het personeel, zoals het uitkeren van loon in natura en het geven van gelegenheid tot sport, ontspanning of privévervoer van personeelsleden.

De bewijslast dat het BUA van toepassing is en in rekening gebrachte omzetbelasting dus niet aftrekbaar is, ligt bij de Belastingdienst. Dat ontslaat de ondernemer niet van de plicht om in voorkomende gevallen het ongelijk van de inspecteur te kunnen bewijzen. Het is de ondernemer die aanspraak maakt op aftrek van voorbelasting. Wanneer de inspecteur deze aanspraak betwist, zal de ondernemer met de benodigde gegevens moeten komen om zijn standpunt te onderbouwen.

Een voorbeeld waarin het bewijsrechtelijk misging is de volgende casus. Een ondernemer huurde business seats bij een voetbalclub en nodigde zakenrelaties uit om met hem of een van zijn personeelsleden wedstrijden te bekijken. De voor de huur van de zitplaatsen in rekening gebrachte omzetbelasting bracht de ondernemer volledig in aftrek. De Belastingdienst corrigeerde de aftrek van voorbelasting met een naheffingsaanslag omzetbelasting, gebaseerd op twee gronden van het BUA. Ten eerste betrof het de uitsluiting van aftrek voor relatiegeschenken en ten tweede de verlening van diensten aan het personeel. Bezien vanuit de modale consument overheerst bij de terbeschikkingstelling van business seats aan personeelsleden hun persoonlijke belang.

De ondernemer had geen gegevens bijgehouden van welke zakenrelaties hij wanneer had meegenomen om wedstrijden te bezoeken. Het niet bijhouden van deze gegevens kwam de ondernemer duur te staan. De inspecteur stelde zich op het standpunt dat de meegenomen zakenrelaties zelf geen recht op aftrek van voorbelasting zouden hebben gehad indien rechtstreeks aan hen zou zijn gefactureerd. Door geen gegevens te kunnen verstrekken, had de ondernemer de stelling van de inspecteur onvoldoende gemotiveerd betwist en had de inspecteur aan zijn bewijslast, dat het BUA van toepassing is, voldaan.

Ten aanzien van het gebruik van de business seats door personeelsleden heeft de Hoge Raad duidelijk gemaakt dat het bezoeken van een recreatief evenement als een sportwedstrijd in het algemeen een persoonlijke keuze is. Dat geldt ook voor werknemers die op kosten van de werkgever wedstrijden in een voetbalstadion kunnen bijwonen. Wanneer een ondernemer zijn personeel daartoe in de gelegenheid stelt, is het vermoeden gerechtvaardigd dat dit hun privédoeleinden dient. In die gevallen is het BUA van toepassing. De ondernemer kan dit vermoeden ontzenuwen, door aannemelijk te maken dat het bijwonen van het evenement plaatsvond met (potentiële) zakenrelaties. Het BUA is dan niet van toepassing omdat het zakelijke belang overheersend is. Het eventuele persoonlijke voordeel voor de werknemers is dan van bijkomstige aard. Beslissend is met welk doel de ondernemer zijn personeel een evenement laat bijwonen en niet de persoonlijke beleving van het personeel.

Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLINLHR20181021, nr. 16/03928 | 27-07-2018

Volgens de Wet op de omzetbelasting is de ondernemer die een levering of dienst verricht in beginsel degene van wie de belasting wordt geheven. In een aantal gevallen geldt een verleggingsregeling en wordt de omzetbelasting geheven van de afnemer van de levering of de dienst. Een van de gevallen waarin een verleggingsregeling van toepassing is heeft betrekking op de levering van een als zekerheid dienende onroerende zaak aan een ondernemer tot executie van die zekerheid. Deze regeling is ingevoerd om te voorkomen dat de verschuldigde omzetbelasting niet aan de Belastingdienst wordt betaald, terwijl de afnemer de omzetbelasting wel in aftrek kan brengen.

Volgens de Hoge Raad geldt deze verleggingsregeling ook wanneer de hypotheeknemer niet overgaat tot executie, maar een regeling met de hypotheekgever treft op grond waarvan de onroerende zaak onderhands wordt verkocht en met de opbrengst de schuld aan de hypotheeknemer wordt afgelost. Zonder toepassing van de verleggingsregeling zou de hypotheeknemer verhaal kunnen zoeken op door de hypotheekgever verschuldigde omzetbelasting, waardoor deze niet aan de Belastingdienst zou worden betaald, terwijl de koper die omzetbelasting wel in aftrek kan brengen. Degene, die een beroep doet op toepassing van de verleggingsregeling, moet de feiten stellen en bij betwisting aannemelijk maken dat aan de voorwaarden is voldaan.

Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLINLHR20181032, nr. 17/01880 | 26-07-2018

De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) heeft onderzoek gedaan naar het gebruik van het burgerservicenummer (BSN) in het btw-identificatienummer. Volgens de AP heeft het gebruik van het BSN in het btw-identificatienummer geen wettelijke grondslag. Het BSN is een vertrouwelijk persoonsnummer voor communicatie tussen overheid en burger. Het gebruik van het BSN als btw-identificatienummer is niet noodzakelijk voor de uitvoering van de taak van de Belastingdienst. Voor de registratie van een btw-ondernemer kan een nummer worden gebruikt dat niet op het BSN is gebaseerd.

Naar aanleiding van het onderzoek van de AP deelt de staatssecretaris van Financiën mee dat hij op zoek gaat naar een haalbaar alternatief. Een mogelijkheid kan zijn dat bestaande en nieuwe ondernemers/natuurlijke personen een nieuw btw-identificatienummer krijgen voor extern gebruik. Dat nummer wordt dan gebruikt in alle uitingen aan derden waarin vermelding van een btw-nummer verplicht is en in contacten met de Belastingdienst. De Belastingdienst gebruikt het nieuwe nummer in deze optiek in berichten aan de ondernemer waarin vermelding van het btw-identificatienummer vereist is en die de ondernemer moet delen met derden.

Binnen de systemen van de Belastingdienst blijft het op het BSN-gebaseerde nummer van de ondernemer in gebruik. Om dit te realiseren moet er een conversieservice worden gebouwd, die het nieuwe nummer bij inkomend verkeer omzet naar het oude nummer en bij uitgaand verkeer andersom. Of dit haalbaar en werkbaar is, wordt momenteel onderzocht. De nieuwe nummersystematiek zal niet voor de door de AP genoemde datum van 1 januari 2019 gerealiseerd kunnen worden.

Bron: Ministerie van Financiën | publicatie | 2018-0000122631 | 19-07-2018

Ondernemers moeten omzetbelasting berekenen over de vergoeding die zij aan hun afnemers in rekening brengen voor de levering van goederen of het verrichten van diensten. De btw-richtlijn omschrijft de levering van een goed als de overdracht of overgang van de macht om als een eigenaar over een lichamelijke zaak te beschikken. De belasting is verschuldigd op het tijdstip waarop de levering plaatsvindt. Op dat moment ontstaat bij de afnemer het recht op aftrek van de door hem betaalde omzetbelasting. Het recht op aftrek van voorbelasting is beperkt tot de mate waarin de afgenomen goederen en diensten worden gebruikt voor belaste handelingen door de afnemer.

Het Hof van Justitie EU heeft onlangs de vraag beantwoord of het recht op aftrek van voorbelasting mag worden geweigerd omdat de gefactureerde goederen niet zijn geleverd aan de ondernemer aan wie de factuur is gericht. De verwijzende rechter wilde met name weten of voor het weigeren van aftrek nodig is om aan te tonen dat de ondernemer wist of had moeten weten dat het ging om btw-fraude. Volgens het Hof van Justitie EU is in het btw-stelsel het recht op aftrek gekoppeld aan de daadwerkelijke levering van een goed of de daadwerkelijke verrichting van een dienst. Het is uitgesloten dat er enig recht op aftrek ontstaat wanneer er geen daadwerkelijke levering of dienstverrichting plaatsvindt. Eerder heeft het Hof van Justitie EU al uitgelegd dat er geen recht op aftrek is voor belasting die uitsluitend is verschuldigd omdat zij wordt vermeld op een factuur. Het Hof van Justitie EU merkt nog op, dat degene die voorbelasting wenst af te trekken moet aantonen dat aan de voorwaarden voor aftrek is voldaan.

Bron: Hof van Justitie EU | jurisprudentie | C 459/17 en C 460/17, ECLI:EU:C:2018:501 | 19-07-2018

Het recht om gebruik te maken van sportaccommodaties valt onder het lage btw-tarief. Het gebruik van de sportaccommodatie moet verband houden met de beoefening van sport. Diensten die bestaan uit stalling of opslag van attributen waarmee een sport wordt bedreven vallen niet onder het gebruik van sportaccommodaties en vallen dus niet onder het lage tarief.

Volgens Hof Arnhem-Leeuwarden is de verhuur van de ligplaatsen voor zeilboten en snelle motorboten door een watersportvereniging belast met het hoge tarief omzetbelasting. Het hof merkt deze dienst van de vereniging aan als de verhuur van parkeerruimte voor boten. De verhuur van ligplaatsen kan niet worden gerangschikt onder het geven van gelegenheid tot sportbeoefening, omdat het sporten niet plaatsvindt in de jachthaven maar in open water.

Het oordeel van het hof komt erop neer dat de ligplaatsen zelf niet zijn bestemd voor sportbeoefening, maar dat de dienst van de vereniging bestaat uit het passieve verblijf van boten in de jachthaven en het in goede staat bewaren ervan. Volgens de Hoge Raad geeft het oordeel van het hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het beroep in cassatie van de vereniging is ongegrond.

Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLINLHR2018912, nr. 16/05180 | 28-06-2018

Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie EU verricht een zuivere holdingmaatschappij geen economische activiteiten voor de omzetbelasting. Dat heeft tot gevolg dat een holding geen recht heeft op aftrek van voorbelasting. Een zuivere holding heeft geen andere activiteiten dan het verwerven en aanhouden van deelnemingen. Volgens het Hof van Justitie EU hebben ondernemers recht op aftrek van voorbelasting op mislukte investeringen.

Aan het Hof van Justitie EU zijn vragen gesteld over het recht op aftrek van voorbelasting die betrekking heeft op kosten van een mislukte strategische overname van een concurrent door een ondernemer. De ondernemer was geen zuivere holdingmaatschappij. De vraag is of de beperking van aftrek van voorbelasting, zoals die uit de holdingjurisprudentie van het Hof van Justitie EU volgt, in een dergelijk geval van toepassing is. De conclusie van de Advocaat-generaal is dat er geen beperking van het recht op aftrek van voorbelasting dient te gelden. Volgens de conclusie is de verwerving van aandelen in een vennootschap een economische activiteit als de verwerving wordt gedaan ter uitbreiding van de belastbare activiteiten van de verkrijgende vennootschap. De kosten die de verkrijgende vennootschap in dat verband heeft gemaakt, staan in rechtstreeks en onmiddellijk verband met de belastbare activiteiten, zodat de daarover betaalde omzetbelasting in aanmerking komt voor aftrek als voorbelasting.

Bron: Hof van Justitie EU | Conclusie AG | C 249/17 | 17-05-2018

Het ministerie van Financiën heeft een voorstel tot wijziging van de kleineondernemersregeling in de omzetbelasting ter consultatie gelegd. De huidige regeling geldt voor natuurlijke personen die op jaarbasis minder dan € 1.883 aan btw verschuldigd zijn.

De voorgestelde regeling wordt ruimer, omdat deze ook gaat gelden voor andere ondernemers dan natuurlijke personen, zoals bv’s, stichtingen en verenigingen. Daarnaast wordt de jaaromzet van de ondernemer het uitgangspunt voor de regeling in plaats van de per saldo verschuldigde btw. Ondernemers die de nieuwe regeling toepassen brengen geen omzetbelasting in rekening aan hun afnemers en zijn ontheven van het doen van btw-aangifte en van de bijhorende administratieve verplichtingen. De nieuwe regeling is gebaseerd op de in de btw-richtlijn 2006 opgenomen vrijstellingsregeling. Het is de bedoeling dat de nieuwe regeling op 1 januari 2020 in werking treedt.

Belangstellenden kunnen tot 1 mei 2018 reageren op het voorstel op www.overheid.nl.

Bron: Ministerie van Financiën | wetsvoorstel | 05-04-2018

Het wetsvoorstel betreffende de btw-behandeling van vouchers is door de Eerste Kamer als hamerstuk afgedaan. Een hamerstuk is een wetsvoorstel waarover niemand tijdens een plenaire vergadering het woord wenst te voeren en dat zonder stemming wordt aanvaard.

De wet is bedoeld ter invoering van de Europese voucherrichtlijn in de Wet op de omzetbelasting. De richtlijn omvat een definitie, een onderverdeling in soorten vouchers en regels over het al dan niet heffen van btw bij transacties met vouchers. De richtlijn heeft alleen betrekking op vouchers die kunnen worden ingewisseld voor goederen of diensten. Vouchers die recht geven op korting bij de aankoop van goederen of diensten vallen niet onder de nieuwe regels.

De soort voucher bepaalt of btw wordt geheven bij de uitgifte of op het moment van gebruik van de voucher. Er wordt onderscheid gemaakt in vouchers voor enkelvoudig en voor meervoudig gebruik. Bij vouchers voor enkelvoudig gebruik wordt btw geheven bij de uitgifte en bij iedere doorverkoop van de voucher. De maatstaf van heffing is de vergoeding die voor de voucher wordt betaald. De uitgifte en doorverkoop van vouchers voor meervoudig gebruik blijft buiten de btw-heffing. De heffing vindt dan plaats bij de inwisseling van de voucher. Voor de maatstaf van heffing gelden specifieke bepalingen. Uitgangspunt voor de maatstaf van heffing is het bedrag dat de consument heeft betaald bij de aankoop van de voucher of de intrinsieke waarde van de voucher.
Een voucher kan een fysieke of een elektronische vorm hebben. De nieuwe regeling moet zorgen dat situaties van dubbele of van niet-heffing bij grensoverschrijdende vouchers met ingang van 1 januari 2019 niet meer kunnen voorkomen. Grensoverschrijdend gebruik van vouchers vindt voornamelijk plaats bij telefoonkaarten.

In verband met de wetswijziging zal het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 moeten worden aangepast. Dat besluit bevat bepalingen over ondernemers, die aan afnemers zegels of waardebonnen verstrekken die zij al, dan niet met bijbetaling, kunnen inwisselen tegen goederen. Deze bepalingen zijn per 1 januari 2019 niet meer van toepassing op zegels of waardebonnen die worden aangemerkt als vouchers. Voor zegels of waardebonnen, die niet onder de nieuwe wettelijke regeling voor vouchers vallen, blijven de bestaande bepalingen van kracht. De beleidsbesluiten voor zegels en waardebonnen, voor cadeaubonnen en voor telefoonkaarten zullen ook worden aangepast aan de nieuwe voucherregels.

Bron: Ministerie van Financiën | wetsvoorstel | 34755 | 08-03-2018