De Algemene wet inzake rijksbelastingen bevat een aantal strafbepalingen. Een daarvan betreft het opzettelijk doen van een onjuiste of onvolledige belastingaangifte. Als dat tot gevolg heeft dat te weinig belasting wordt geheven, staat daarop een gevangenisstraf van maximaal zes jaar of een geldboete.

Volgens de Hoge Raad kan alleen de persoon die aangifte moet doen pleger zijn van het onjuist of onvolledig doen van aangifte. De verplichting om aangifte te doen rust op iedereen die daartoe is uitgenodigd. Iemand, die namens een ander aangifte doet, kan niet worden aangemerkt als pleger van dit strafbare feit. De Hoge Raad heeft een andersluidende uitspraak van Hof Amsterdam vernietigd. Het hof had een eigenaar van een administratie- en advieskantoor, die voor klanten onjuiste aangiften had gedaan, aangemerkt als de pleger van het strafbare feit van het bewust doen van onjuiste aangiften. Hof Amsterdam moet zich nu nogmaals over deze zaak buigen.

Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLINLHR2021261 | 01-03-2021

Belastingrente wordt berekend bij het opleggen van een aanslag inkomstenbelasting over de periode die aanvangt zes maanden na afloop van het belastingjaar tot de dag waarop de aanslag invorderbaar is. Er wordt geen belastingrente berekend als de aanslag wordt opgelegd overeenkomstig de ingediende aangifte, mits de aangifte is ingediend voor 1 mei van het jaar volgend op het belastingjaar. De berekening van belastingrente wordt beperkt als niet is voldaan aan de voorwaarde dat de aangifte is ingediend voor 1 mei, maar de aanslag wel is vastgesteld overeenkomstig de ingediende aangifte. In dat geval eindigt de periode waarover belastingrente wordt berekend uiterlijk 19 weken na de datum van ontvangst van de aangifte.

De Hoge Raad heeft bepaald dat onder omstandigheden op grond van de beginselen van behoorlijk bestuur de berekening van belastingrente moet worden beperkt of achterwege gelaten.

De rechtbank heeft met toepassing van het evenredigheidsbeginsel geoordeeld dat geen belastingrente mag worden berekend in de volgende situatie. Nadat eerder naar aanleiding van een gezamenlijke aangifte van twee fiscale partners een aanslag werd opgelegd en betaald, dienden de partners gewijzigde aangiften in. Daardoor kreeg een van de partners € 18.091 aan betaalde belasting terug en moest de andere partner € 15.323 aan belasting betalen. Over het te betalen bedrag aan belasting werd belastingrente berekend. De Belastingdienst heeft over de gehele periode waarover belastingrente in rekening is gebracht de beschikking gehad over een hoger bedrag dan de uiteindelijk door beide partners gezamenlijk verschuldigde belasting. Volgens de rechtbank leidt een letterlijke toepassing van de wet in deze situatie tot een uitkomst die niet evenredig is met doel en strekking van de wet. De rechtbank heeft de beschikking belastingrente daarom vernietigd.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBGEL2021497, AWB 20/4912 | 02-02-2021

De Rechtbank Gelderland heeft prejudiciële vragen gesteld over het weigeren van een gemachtigde tegen wie ernstige bezwaren bestaan. De rechtbank wil weten of het mogelijk is iemand voor een bepaalde tijd als gemachtigde te weigeren, bijvoorbeeld voor een periode van drie jaar. Een andere vraag van de rechtbank is of het mogelijk is een gemachtigde te weigeren in alle zaken die bij de rechtbank aanhangig zijn en waarin deze persoon optreedt als vertegenwoordiger. Ten slotte wil de rechtbank weten of de Algemene wet bestuursrecht een grondslag geeft om naast een gemachtigde tegen wie ernstige bezwaren bestaan ook alle (rechts)personen die onder zijn (feitelijke) leiding staan te weigeren.

De Hoge Raad heeft in een arrest uit 2020 geoordeeld dat de beslissing om een gemachtigde te weigeren beperkt is tot de zaak en de instantie waarin deze beslissing is genomen. De Algemene wet bestuursrecht geeft de rechter geen grondslag om iemand in alle aanhangige of nog aanhangig te maken zaken als gemachtigde te weigeren. Het is ook niet mogelijk iemand voor een bepaalde duur te weigeren als gemachtigde. Als een natuurlijke persoon optreedt als gemachtigde in naam van een rechtspersoon, biedt de Algemene wet bestuursrecht geen grondslag om het tot ernstige bezwaren leidende optreden van de natuurlijke persoon toe te rekenen aan die rechtspersoon of aan andere personen.

Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLINLHR2021141, 20/02446 | 28-01-2021

Omdat een belastingaanslag niet werd betaald binnen de gestelde termijn, werd een aanmaning tot betaling aangemaakt. Daarbij werd een bedrag van € 7 aan aanmaningskosten in rekening gebracht. Vervolgens werd een dwangbevel betekend. Daarbij werd € 53 aan betekeningskosten in rekening gebracht. Naar aanleiding van het dwangbevel werd door de belanghebbende, advocaat van beroep, bezwaar gemaakt. In reactie op het bezwaarschrift deelde de gemeentelijke invorderingsambtenaar mee dat hij voornemens was het bezwaar af te wijzen. Uit coulance was de invorderingsambtenaar bereid de kosten van het dwangbevel af te boeken. Een kantoorgenoot van de belanghebbende stelde zich als gemachtigde voor de belanghebbende en verzocht om een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase. De ambtenaar wees dat verzoek af.

In de procedure die daarop volgde, waren de rechtbank en Hof Arnhem-Leeuwarden van oordeel dat de inschakeling van professionele bijstand voor het schrijven van een tweede brief, waarin het door de belanghebbende opgestelde bezwaarschrift inhoudelijk werd herhaald, niet redelijk was. Het verzoek om een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase is terecht afgewezen.

Bron: Hof Arnhem-Leeuwarden | jurisprudentie | ECLINLGHARL20205723, 19/01718 | 20-08-2020

De Belastingdienst kan, wanneer een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of op een te laag bedrag is vastgesteld, de te weinig geheven belasting navorderen. Daartoe is een nieuw feit vereist. Een feit, dat de inspecteur bekend was of had kunnen zijn, levert geen grond voor navordering op, tenzij de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.

Een procedure voor de rechtbank had betrekking op een navorderingsaanslag. Niet in geschil was dat de inspecteur geen nieuw feit had dat navordering rechtvaardigde. De inspecteur had de oorspronkelijke aanslag opgelegd conform de aangifte terwijl er een boekenonderzoek liep naar aanleiding van een vastgoedtransactie van de belastingplichtige met zijn bv. De rechtbank vond kwade trouw van de belastingplichtige niet aannemelijk gemaakt.

Voor kwade trouw moet worden gekeken naar de gedragingen bij het doen van de aangifte. Er waren geen aanwijzingen dat de belastingplichtige de inspecteur opzettelijk op het verkeerde been heeft willen zetten bij het doen van de aangifte. In een begeleidende brief bij de de aangifte heeft de belastingplichtige een voorbehoud gemaakt voor eventuele correcties voortvloeiend uit het lopende boekenonderzoek.

De aangifte was in het systeem van de Belastingdienst geblokkeerd. Bij een behoorlijke taakvervulling had de inspecteur bij de behandeling van de aangifte een nader onderzoek moeten instellen naar de gegevens van het lopende boekenonderzoek. Het achterwege blijven van dat onderzoek merkte de rechtbank aan als een verwijtbaar onjuist inzicht van de inspecteur in de feiten. Dat is een beoordelingsfout die niet, zoals een automatiserings-, schrijf- of typefout door navordering kan worden hersteld.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBZWB2020922, BRE 17/5662 | 26-03-2020

Ondernemers loggen tot nu toe in op de website van de Belastingdienst met behulp van gebruikersnaam en wachtwoord. Daar komt verandering in. Rechtspersonen en samenwerkingsverbanden moeten met ingang van 2020 gebruik gaan maken van eHerkenning om in te loggen voor het doen van aangifte. Ondernemers met een eenmanszaak kunnen inloggen met DigiD. eHerkenning is een digitale sleutel. Om in te loggen bij de Belastingdienst is ten minste niveau 3 nodig. eHerkenning is geen (gratis) dienst van de overheid maar een betaalde dienst van private aanbieders. Omdat rekening gehouden moet worden met een behandeltermijn voor de aanvraag van eHerkenning is het raadzaam daar niet te lang mee te wachten. De eerste aangiften over 2020 moeten immers eind februari 2020 worden ingediend.  

In de Tweede Kamer zijn vragen gesteld aan de staatssecretaris van Financiën over de verplichting om eHerkennning te gebruiken voor het doen van belastingaangifte. De Belastingdienst heeft daarover onlangs brieven gestuurd naar ondernemers. Gevraagd is naar de wettelijke grondslag waarop de verplichting om aangifte te doen met eHerkenning berust. Verder wil de vragensteller weten hoe de staatssecretaris er, bij het ontbreken van een wettelijke grondslag, voor gaat zorgen dat zonder eHerkenning toch aangifte gedaan kan worden en dat er geen chaos ontstaat bij het doen van aangifte.

Bron: Ministerie van Financiën | publicatie | 2019Z24541 | 12-12-2019

Een belastingaanslag is tijdig vastgesteld als deze binnen de voor het vaststellen van de aanslag geldende termijn is bekendgemaakt en de dagtekening van het aanslagbiljet is gelegen voor het einde van deze termijn.

In verband met verleend uitstel voor het doen van aangifte verliep op 31 januari 2014 de termijn voor het opleggen van een aanslag inkomstenbelasting over 2009. De inspecteur heeft op 8 januari 2014 de voor deze aanslag benodigde gegevens vastgesteld en ingevoerd in het geautomatiseerde systeem van de Belastingdienst. Dat zou leiden tot een dagtekening van het aanslagbiljet in februari 2014. Daarom heeft de inspecteur een tweede aanslagbiljet laten opmaken met een dagtekening binnen de aanslagtermijn. Dat aanslagbiljet is voor het einde van de aanslagtermijn bezorgd.

In de procedure over de aanslag oordeelde Hof Arnhem-Leeuwarden dat in de situatie waarin meerdere aanslagen zijn opgelegd de volgorde van die aanslagen wordt bepaald door de dagtekening ervan. In dit geval leidt dat ertoe dat de tweede aanslag als eerste is vastgesteld en dat de aanslag dus tijdig is vastgesteld. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie tegen dit oordeel van het hof ongegrond verklaard. Omdat het tweede aanslagbiljet voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en de dagtekening ervan is gelegen voor het einde van de termijn, is de aanslag tijdig vastgesteld.

Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLINLHR20191618, 18/03508 | 31-10-2019

Voor professionele rechtsbijstand in een belastingprocedure kan om een proceskostenvergoeding worden gevraagd. Om recht te hebben op een vergoeding moet de belanghebbende ten minste deels in het gelijk worden gesteld. De rechtsbijstand moet verleend worden door een derde. Een werknemer, die rechtsbijstand aan zijn werkgever verleent, kan in de regel ten opzichte van de werkgever niet als een derde worden aangemerkt. Dat heeft de Hoge Raad in een arrest uit 2009 bepaald. Nu heeft de Hoge Raad daaraan toegevoegd dat dit niet anders wordt als de werknemer advocaat is.

De Hoge Raad is van oordeel dat Hof Amsterdam terecht geen proceskostenvergoeding heeft toegekend in het geval van een advocaat, die zijn werkgever in een procedure van rechtsbijstand voorzag. De werkgever was overigens ook advocaat.

Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLINLHR20191319, 18/03131 | 26-09-2019

Een te laat ingediend bezwaarschrift is in beginsel wegens termijnoverschrijding niet ontvankelijk, tenzij de indiener niet in verzuim is geweest. De termijn voor het maken van bezwaar tegen een belastingaanslag of een voor bezwaar vatbare beschikking vangt aan op de dag na die van dagtekening van het aanslagbiljet of de beschikking. Als de aanslag of beschikking is gedagtekend op een eerdere datum dan de dag van bekendmaking van de aanslag of beschikking vangt de bezwaartermijn aan op de dag na de dag van bekendmaking. Uitgangspunt is dat met de terpostbezorging van een aanslagbiljet de daarin vervatte besluiten zijn bekendgemaakt. Als de belanghebbende de verzending van het aanslagbiljet betwist, is het aan de inspecteur om die verzending aannemelijk te maken.

De verzending per post rechtvaardigt volgens de Hoge Raad het vermoeden van ontvangst van een poststuk op het daarop vermelde adres. Per post verzonden stukken worden in de regel op het juiste adres bezorgd. De belanghebbende, die de ontvangst van een door de Belastingdienst verzonden stuk ontkent, dient het vermoeden van ontvangst te ontzenuwen. Daartoe is voldoende dat op grond van wat de belanghebbende aanvoert de ontvangst of de aanbieding van het besluit redelijkerwijs kan worden betwijfeld. Slaagt de belanghebbende daarin, dan zal de inspecteur nader bewijs moeten leveren van de ontvangst of van de aanbieding van het poststuk op het vermelde adres.

Met betrekking tot de ontvankelijkheid van een te laat aangewend rechtsmiddel tegen een opgelegde bestuurlijke boete hanteerde de Hoge Raad sinds 1988 een afwijkende rechtsopvatting. Deze opvatting hield in dat als de belastingplichtige, aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd, stelt dat, en op welke grond, de termijnoverschrijding niet aan hem is toe te rekenen, het te laat ingediende bezwaar alleen niet ontvankelijk wordt verklaard als de onjuistheid van deze stelling wordt bewezen.

In de rechtspraak over verkeersboetes en bestuurlijke boetes op grond van andere wetten is inmiddels een andere opvatting zichtbaar geworden. De Hoge Raad is van oordeel dat deze afwijkende opvatting ook voor fiscale bestuurlijke boetes moet gelden. Dat betekent dat de bewijsregels voor bezwaarschriften tegen aanslagen en beschikkingen ook gelden voor fiscale procedures over bestuurlijke boetes.

Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLINLHR20191102, Nr. 18/01961 | 01-08-2019

Vrijwillige inkeer is een strafverminderende omstandigheid. Er is sprake van een vrijwillige inkeer wanneer een belastingplichtige voordat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de Belastingdienst met de onjuistheid of onvolledigheid van zijn aangifte bekend is of zal worden alsnog de juiste informatie verstrekt. De rechtbank Gelderland heeft het betoog van een belastingplichtige dat een beroep op de inkeerregeling mogelijk blijft zolang er een serieuze mogelijkheid bestaat dat de Belastingdienst niet op de hoogte raakt van de onregelmatigheid in de aangifte, afgewezen.

De rechtbank kwam tot dit oordeel in een procedure van een cliënt van de Zwitserse UBS-bank. De Belastingdienst heeft op 23 juli 2015 de Zwitserse belastingautoriteiten om informatie gevraagd over Nederlandse rekeninghouders van de bank. UBS heeft haar Nederlandse cliënten al in 2014 gevraagd om bewijzen van een juiste fiscale aangifte over te leggen. De bank heeft haar Nederlandse cliënten op de hoogte gesteld van het informatieverzoek. Nadat de Zwitserse Belastingdienst een officiële aankondiging over het informatieverzoek heeft gepubliceerd, hebben Nederlandse media op 27 september 2015 over het verzoek bericht. Volgens de rechtbank laten deze feiten geen andere conclusie toe dan dat de cliënt van de bank objectief gezien kon weten of vermoeden dat de Belastingdienst op de hoogte zou raken van de Zwitserse bankrekening. Pas daarna is het formele beroep op de inkeerregeling gedaan. Vervolgens heeft het nog ruim vier maanden geduurd voordat alle gegevens met betrekking tot de bankrekening aan de Belastingdienst zijn verstrekt.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBGEL20191, AWB 17/3271, 17/3315, 17/3316, 17/3317, 17/3318, 17/3319, 17/3320, 17/3321, 17/3322, 17/3323, 17/3324 en 17/3325 | 10-01-2019