Een werkgever schorste een werkneemster, die werkzaam was op basis van een jaarcontract. Het salaris en de verdere emolumenten werden gewoon doorbetaald. De werkgever deelde mee dat het jaarcontract niet zou worden verlengd.

De werkneemster startte een procedure bij de kantonrechter, waarin verzocht werd om een billijke vergoeding en een vergoeding wegens onregelmatige opzegging. Kern van het geschil was of de schorsing van de werkneemster, met vrijstelling van werkzaamheden en doorbetaling van salaris, in feite neerkwam op een onregelmatige opzegging van de arbeidsovereenkomst.

De kantonrechter maakte duidelijk dat onderscheid gemaakt moet worden tussen opzegging van de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang en opzegging met inachtneming van een opzegtermijn. De werkneemster maakte bij de onderbouwing van haar verzoek geen duidelijk onderscheid tussen deze twee alternatieven. De kantonrechter behandelde eerst de vraag of de arbeidsovereenkomst is opgezegd.

Opzegging door de werkgever is een eenzijdige wilsuiting, gericht op de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, die de werknemer moet hebben bereikt. De opzegging is vormvrij.

In een brief van de werkgever aan de werkneemster stond dat haar was medegedeeld dat het dienstverband zou aflopen met het jaarcontract. Uitdrukkelijk stond in de brief dat de werkneemster niet werd ontslagen. Naar het oordeel van de kantonrechter is deze brief geen opzegging van de arbeidsovereenkomst. Daarmee verviel de grond van het verzoek van de werkneemster.

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft werkgever zich aan de eisen van goed werkgeverschap gehouden door vroegtijdig aan de werkneemster mee te delen dat haar arbeidsovereenkomst niet zou worden verlengd, door haar vrij te stellen van werkzaamheden en door haar loon tot het einde van de arbeidsovereenkomst door te betalen.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBDHA20193689, 7415057 RP VERZ 18-50685 | 18-07-2019

De Wet arbeidsmarkt in balans bevat onder meer een aanpassing van de regeling van de transitievergoeding. De wet is op 19 juni 2019 in het Staatsblad gepubliceerd en treedt naar verwachting per 1 januari 2020 in werking.

Huidige regeling

Volgens de huidige regeling heeft een werknemer recht op een transitievergoeding wanneer de arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden heeft geduurd en wordt beëindigd of niet voortgezet op initiatief van de werkgever. De werknemer heeft in beginsel geen recht op een transitievergoeding bij beëindiging op zijn initiatief, tenzij de opzegging, niet voortzetting of ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever. De hoogte van de transitievergoeding is afhankelijk van de duur van de arbeidsovereenkomst. Over de eerste 120 maanden (10 jaar) bedraagt de vergoeding 1/6 maandsalaris voor iedere periode van zes maanden. Voor zover de arbeidsovereenkomst langer heeft geduurd dan 120 maanden bedraagt de transitievergoeding 1/4 maandsalaris voor iedere periode van zes maanden.

Voorbeeld

De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden na acht jaar. Dat zijn 16 perioden van zes maanden. De totale duur van de arbeidsovereenkomst is korter dan 120 maanden. De transitievergoeding bedraagt dan 16 maal 1/6 maandsalaris is 2,67 maandsalarissen. Bij een maandsalaris van € 3.000 komt de transitievergoeding dan uit op een bedrag van € 8.000.

Stel dat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden na twaalf in plaats van na acht jaar. De transitievergoeding bedraagt dan 20 maal 1/6 maandsalaris plus 4 maal 1/4 maandsalaris. Dat is in totaal 4,34 maandsalarissen. De transitievergoeding komt dan uit op een bedrag van € 13.000.

Nieuwe regeling

De eis dat de arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden moet hebben geduurd voor het recht op een transitievergoeding vervalt. Dat betekent dat een werknemer vanaf de dag van indiensttreding recht heeft op een transitievergoeding bij ontslag op initiatief van de werkgever.

Ook de wijze van berekening van de vergoeding verandert. De berekening vindt niet langer plaats per periode van zes maanden. In plaats daarvan bedraagt de transitievergoeding voor elk kalenderjaar dat de arbeidsovereenkomst heeft geduurd 1/3 maandsalaris en een evenredig deel daarvan voor een periode dat de arbeidsovereenkomst korter dan een kalenderjaar heeft geduurd. De verhoging van de transitievergoeding voor dienstverbanden langer dan 120 maanden vervalt. Over de hele duur van de arbeidsovereenkomst bedraagt de transitievergoeding dus 1/3 maandsalaris per dienstjaar.

Voorbeeld

De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden na zeven jaar en drie maanden. De transitievergoeding bedraagt dan 7,25 maal 1/3 maandsalaris is 2,41 maandsalarissen. Bij een maandsalaris van € 3.000 komt de transitievergoeding dan uit op een bedrag van € 7.230.

Overgangsrecht

De huidige regeling kent een tijdelijke regeling voor oudere werknemers en een overbruggingsregeling. Deze regelingen vervallen per 1 januari 2020. Bij wijze van overgangsrecht zijn deze regelingen nog van toepassing als:

  1. de arbeidsovereenkomst voor 1 januari 2020 is opgezegd;
  2. de werknemer voor 1 januari 2020 schriftelijke heeft ingestemd met een beëindigingsvoorstel;
  3. de arbeidsovereenkomst is opgezegd met toestemming van het UWV en het verzoek om toestemming is gedaan voor 1 januari 2020; of
  4. het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst voor 1 januari 2020 is ingediend.

De tijdelijke regeling voor oudere werknemers geldt voor werknemers die bij het einde van de arbeidsovereenkomst 50 jaar of ouder zijn. Heeft de arbeidsovereenkomst ten minste 120 maanden geduurd, dan hebben deze werknemers recht op ½ maandsalaris voor elke periode van zes maanden dat de dienstbetrekking na het bereiken van de leeftijd van 50 jaar heeft geduurd. Deze tijdelijke regeling geldt voor werkgevers die minder dan 25 werknemers in dienst hebben.

De overbruggingsregeling houdt in dat onder voorwaarden voor de berekening van de duur van de arbeidsovereenkomst de maanden voor 1 mei 2013 buiten beschouwing worden gelaten, indien de arbeidsovereenkomst is geëindigd of niet is voortgezet wegens een slechte financiële situatie van de werkgever. Ook deze regeling geldt voor werkgevers die minder dan 25 werknemers in dienst hebben.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken | publicatie | 11-07-2019

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft in een brief de Tweede Kamer geïnformeerd over de voortgang bij de uitwerking van maatregelen over werken als zelfstandige (zzp’er). De groep zzp’ers is zeer divers. Volgens de minister is duidelijke wetgeving nodig om onbedoelde concurrentie tussen werknemers en zelfstandigen te voorkomen. Zzp’ers hebben fiscale voordelen ten opzichte van werknemers en opdrachtgevers hoeven voor zzp’ers geen werkgeverspremies te betalen. Ook hoeven opdrachtgevers zzp’ers niet door te betalen bij ziekte. Door deze kostenvoordelen is het voor opdrachtgevers en voor zzp’ers aantrekkelijk om gebruik te maken van deze contractvorm.

Aanvankelijk wilde het kabinet zzp’ers die langdurig werken voor een laag tarief als werknemer aanmerken. Op grond van Europese regelgeving is dat niet mogelijk. Daarom komt er een minimumtarief van € 16 per uur. De minister realiseert zich dat aan een minimumtarief risico’s kleven. De invoering daarvan kan leiden tot minder opdrachten en tot verlaging van tarieven voor zzp’ers die nu meer verdienen. Het kabinet zal een onderzoek naar arbeidsmarkteffecten uitvoeren.

Voor zzp’ers met een hoog uurtarief komt er een zelfstandigenverklaring. Deze verklaring geeft vooraf zekerheid over loonheffing en werknemersverzekeringen en over arbeidsrechtelijke gevolgen, pensioenverplichtingen en cao-bepalingen. Voor het gebruik van de zelfstandigenverklaring gelden de volgende voorwaarden:

  1. In de overeenkomst van opdracht vermelden partijen dat zij de bedoeling hebben geen arbeidsovereenkomst te sluiten.
  2. De arbeidsbeloning bedraagt minimaal € 75 per uur.
  3. De overeenkomst wordt aangegaan voor maximaal een jaar.
  4. De opdrachtgever en de opdrachtnemer ondertekenen beiden de zelfstandigenverklaring.
  5. De opdrachtnemer dient bij de Kamer van Koophandel ingeschreven te staan.

Mochten de werkzaamheden langer duren dan een jaar, dan geldt de zelfstandigenverklaring niet meer na dat jaar. Als na afronding van een opdracht minimaal 6 maanden geen werkzaamheden zijn verricht voor een opdrachtgever, start bij aanvang van de werkzaamheden een nieuwe termijn van een jaar.

Voor alle opdrachtgevers komt er de opdrachtgeversverklaring om zekerheid vooraf te krijgen. Er wordt onderzocht of dat via een webmodule kan.

Op korte termijn zal de minister conceptwetgeving publiceren in de vorm van een internetconsultatie. Wanneer de (concept-)teksten gereed zijn, zal zoals gebruikelijk op basis van de uitvoeringstoetsen de uitvoerbaarheid worden bepaald.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken | publicatie | 2019-0000089400 | 04-07-2019

Volgens het Burgerlijk Wetboek kan de kantonrechter op verzoek van de werkgever de arbeidsovereenkomst ontbinden wegens bedrijfseconomische omstandigheden als het UWV de toestemming tot opzegging van de arbeidsovereenkomst heeft geweigerd. De kantonrechter mag dit verzoek alleen inwilligen als aan de wettelijke voorwaarden voor opzegging van de arbeidsovereenkomst is voldaan en er geen opzegverboden gelden.

In verband met het wegvallen van een subsidie voor bepaalde activiteiten verzocht een stichting het UWV om toestemming om de arbeidsovereenkomst met een werkneemster op te zeggen op grond van bedrijfseconomische redenen. Hoewel het UWV de toestemming verleende, maakte de stichting daarvan geen gebruik. Nadat de werkneemster arbeidsongeschikt was geworden, vroeg de stichting opnieuw toestemming aan het UWV om de arbeidsovereenkomst op te zeggen op grond van bedrijfseconomische omstandigheden. Het UWV weigerde de toestemming te verlenen vanwege het opzegverbod tijdens ziekte. De uitzondering op het opzegverbod bij volledige bedrijfsbeëindiging van de werkgever deed zich hier niet voor. De stichting verzocht vervolgens de kantonrechter om de arbeidsovereenkomst te ontbinden. De kantonrechter ontbond de arbeidsovereenkomst. De werkneemster ging in hoger beroep tegen de beschikking van de kantonrechter.

Hof Den Bosch stelde vast dat sprake was van een opzegverbod. De werkneemster was nog geen twee jaar arbeidsongeschikt en was dat al toen het verzoekschrift werd ingediend. Niet te verwachten was dat de werkneemster binnen vier weken na de beslissing van het UWV op het verzoek om toestemming hersteld zou zijn.

Omdat de stichting haar werkzaamheden niet beëindigde, was de uitzondering op het opzegverbod tijdens ziekte niet van toepassing. Het hof was van oordeel dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ten onrechte heeft ontbonden. Volgens de wet kan het hof een door de kantonrechter uitgesproken ontbinding niet ongedaan maken. Wel kan het hof de werkgever veroordelen om de arbeidsovereenkomst te herstellen of aan de werknemer een billijke vergoeding toekennen. Het hof kan ook zelf de arbeidsovereenkomst herstellen. In deze procedure besloot het hof tot het laatste.

Bron: Hof Den Bosch | jurisprudentie | ECLINLGHSHE20192048, 200.251.500/01 | 26-06-2019

De Eerste Kamer heeft de wet Arbeidsmarkt in balans (Wab) aangenomen. Deze wet verkleint de verschillen in kosten en risico’s tussen vast werk en flexwerk. De wet moet het voor werkgevers aantrekkelijker maken om werknemers sneller een vast contract te geven. Het grootste deel van de maatregelen gaat per 1 januari 2020 in.

WW-premie

De sectorpremie voor de WW vervalt en de sectorfondsen worden afgeschaft met de invoering van de Wab. Voor vaste contracten geldt met ingang van 2020 een lage premie. Voor tijdelijke contracten geldt een hogere premie. Het verschil tussen de hoge en de lage WW-premie bedraagt 5 procentpunten. Op de loonstrook van de werknemer moet worden vermeld of zijn contract vast of tijdelijk is.

Ketenregeling

De ketenregeling houdt in dat maximaal drie elkaar opvolgende tijdelijke arbeidsovereenkomsten binnen een zekere periode mogen worden aangegaan zonder dat een vast contract ontstaat. Bij de invoering van de Wet werk en zekerheid is deze periode verkort van drie naar twee jaar. Deze wijziging wordt met de nieuwe wet teruggedraaid.

Cumulatie van ontslaggronden

Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek bevat een uitputtende lijst van redelijke gronden, die ieder voor zich aanleiding kunnen vormen voor ontslag. Daar wordt een cumulatiegrond aan toegevoegd. Wanneer meerdere individuele ontslaggronden niet volstaan, kan de rechter op basis van een combinatie van twee of meer ontslaggronden toch de arbeidsovereenkomst ontbinden.

Oproepovereenkomst

Er is sprake van een oproepovereenkomst als de omvang van de arbeid niet is vastgelegd in een aantal uren per tijdseenheid en de werknemer geen recht heeft op loon als hij geen arbeid verricht. Bij een oproepovereenkomst moet de werknemer ten minste vier dagen van tevoren worden opgeroepen door de werkgever. Wordt een gedane oproep binnen vier dagen ingetrokken, dan behoudt de oproepkracht recht op loon over de opgeroepen periode. Zodra de oproepovereenkomst een jaar geduurd heeft, moet de werkgever de oproepkracht een aanbod doen voor een contract voor het aantal uur dat hij in dat jaar gemiddeld heeft gewerkt.

Transitievergoeding

Werknemers hebben momenteel recht op een transitievergoeding wanneer zij twee jaar in dienst zijn en de arbeidsovereenkomst eindigt op initiatief van de werkgever. Met invoering van de Wab hebben werknemers vanaf de datum van indiensttreding recht op een transitievergoeding. De transitievergoeding bedraagt 1/3e maandsalaris per gewerkt jaar, ongeacht de duur van het dienstverband.

Payrollwerknemers

Payrollwerknemers hebben per 2020 recht op dezelfde primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden als gewone werknemers die hetzelfde werk doen.

Overig

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft een commissie ingesteld, die de gewenste inrichting van de arbeidsmarkt van de toekomst gaat onderzoeken. De commissie komt eind 2019 met haar aanbevelingen.

De minister komt nog voor de zomer met een brief over de uitwerking van nieuwe wetgeving voor zzp’ers. Deze wetgeving moet zorgen voor meer duidelijkheid over de positie van zelfstandigen en schijnzelfstandigheid tegengaan.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken | wetsvoorstel | 12-06-2019

Volgens het Burgerlijk Wetboek geschiedt opzegging van een arbeidsovereenkomst tegen het einde van de maand. Bij schriftelijke overeenkomst kan daarvoor een andere dag worden aangewezen. Bij opzegging dient de werkgever een opzegtermijn in acht te nemen. De lengte van de opzegtermijn is afhankelijk van de duur van de arbeidsovereenkomst op de dag van opzegging. De opzegtermijn wordt verkort met de duur van de behandeling van het verzoek om toestemming door het UWV. De opzegtermijn kan daardoor niet korten worden dan een maand.

In een procedure voor Hof Arnhem-Leeuwarden was in geschil op welke dag een arbeidsovereenkomst eindigt wanneer is opgezegd per de eerste dag van de maand. De vraag was of de arbeidsovereenkomst was geëindigd op de laatste dag van de voorafgaande maand of op de eerste dag van de maand. Het hof vond het woord “per” niet duidelijk. Een indiensttreding per de eerste dag van de maand houdt volgens het hof in dat de arbeidsovereenkomst op die dag begint. Dat betekent volgens het hof dat uitdiensttreding per de eerste dag van de maand dan ook zou moeten inhouden dat de arbeidsovereenkomst op die dag eindigt en niet al de dag ervoor.

Het hof vond dat door toedoen van de werkgever een onduidelijke situatie is ontstaan. Die onduidelijkheid kwam voor rekening van de werkgever. Hoewel het belang van een dag eerder of later meestal niet heel groot is, was het in deze procedure doorslaggevend voor het antwoord op de vraag of de werkneemster haar verzoekschrift bij de rechtbank tijdig had ingediend.

Bron: Hof Arnhem-Leeuwarden | jurisprudentie | ECLINLGHARL20194308, 200.248.302/01 | 12-06-2019

De werkgever is aansprakelijk voor de schade die een werknemer lijdt bij de uitoefening van zijn werkzaamheden. Volgens vaste jurisprudentie moet de werknemer kunnen bewijzen dat de schade die hij heeft geleden is ontstaan bij de uitoefening van zijn werk. Van de werknemer wordt niet verlangd dat hij aantoont wat de oorzaak is van het ongeval waardoor hij schade heeft geleden. Op de werkgever rust een vergaande zorgplicht om ongevallen op het werk te voorkomen. De wet verplicht de werkgever om alle maatregelen te treffen en aanwijzingen te geven die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat een werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. Welke maatregelen en aanwijzingen nodig zijn is afhankelijk van de omstandigheden. Zoals blijkt uit vaste jurisprudentie heeft de werkgever niet snel voldoende gedaan om niet aansprakelijk te zijn voor de geleden schade.

In een procedure stond vast dat een werkneemster tijdens de uitoefening van haar werkzaamheden was gevallen en haar pols had gebroken. De werkgever voerde als verweer aan dat hij aan zijn wettelijke zorgplicht had voldaan, zodat hij niet aansprakelijk was voor de door de werkneemster geleden schade. Zo was volgens de werkgever de vloer ter plekke van het ongeval voldoende stroef en ten tijde van het ongeval schoon en droeg de werkneemster de voorgeschreven deugdelijke werkschoenen.

Hof Den Bosch vond dat de werkgever niet voldoende had gedaan om het ongeval te voorkomen. Bij het uitvoeren van de werkzaamheden was niet te voorkomen dat er productresten en andere rommel op de vloer terecht kwamen. Bij de overgangen tussen de werkruimten en de gang waren geen roosters, borstels of matten geplaatst om het binnenlopen van rommel te voorkomen. Het hof achtte niet uitgesloten dat een medewerker, ondanks de door de werkgever genomen maatregelen, zou kunnen uitglijden. Verder bleek niet uit verklaringen van getuigen of uit het schoonmaakschema dat de vloer direct voor het ongeval van de werkneemster was gereinigd. De door de werkgever gegeven instructies hadden geen betrekking op het gevaar van gladheid of het voorkomen van een val als gevolg van gladheid. Het hof achtte de werkgever aansprakelijk voor de schade die de werkneemster door de val heeft geleden.

Bron: Hof Den Bosch | jurisprudentie | ECLINLGHSHE20191888, 200.219.642/01 | 05-06-2019

Gedurende een zwangerschap van een werkneemster geldt een verbod tot opzegging van de arbeidsovereenkomst voor de werkgever. Dat geldt ook wanneer de werkgever ten tijde van het aanvragen van de ontslagvergunning niet bekend was met de zwangerschap of als het UWV een ontslagvergunning heeft afgegeven wegens het ontbreken van een geldige zwangerschapsverklaring.

Als de werkgever de arbeidsovereenkomst in strijd met een opzegverbod toch opzegt, kan dat voor de kantonrechter aanleiding vormen om de werkneemster een billijke vergoeding toe te kennen. De billijke vergoeding is bedoeld als compensatie voor het ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBROT20193299, 7407074 / VZ VERZ 18-25237 | 28-05-2019

Een non-concurrentiebeding moet op straffe van nietigheid schriftelijk worden overeengekomen tussen werkgever en werknemer. Volgens het Burgerlijk Wetboek mag een non-concurrentiebeding in een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd alleen worden opgenomen als er zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen voor zijn. Deze belangen en de motivering waarom die belangen het opnemen van een non-concurrentiebeding noodzakelijk maken moeten worden opgenomen in het beding. De werkgever moet per geval motiveren welke zwaarwegende belangen een concurrentiebeding vereisen. De motivering voor een non-concurrentiebeding kan zijn gelegen in specifieke kennis of bedrijfsinformatie die de werknemer opdoet in de functie.

Hof Den Bosch heeft onlangs geoordeeld dat de tekst van een non-concurrentiebeding, dat door een werkgever voor alle commerciële functies binnen zijn bedrijf werd gebruikt, niet voldeed aan de voorwaarde van een specifieke afweging en motivering per geval. Het was de werkgever daarom niet toegestaan om het non-concurrentiebeding op te nemen in arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. Volgens het hof had de motivering van het concurrentiebeding specifieker toegesneden kunnen en moeten worden op de werkzaamheden die de betrokken werknemer feitelijk vervulde.

Omdat er geen rechtsgeldig non-concurrentiebeding tussen partijen was overeengekomen wees het hof de vordering van de werkgever tot nakoming daarvan af.

Bron: Hof Den Bosch | jurisprudentie | ECLINLGHSHE20191692, 200.248.942/01 | 15-05-2019

De kantonrechter kan op verzoek van de werknemer diens arbeidsovereenkomst direct of op korte termijn ontbinden als de omstandigheden daartoe aanleiding geven. Tot die omstandigheden behoort een achterstand in de loonbetaling.


De kantonrechter ontbond de arbeidsovereenkomst van een werknemer wiens werkgever hem door onregelmatige loonbetaling in totaal zeven maandsalarissen schuldig was. De werkgever moest ook de wettelijke verhoging en de wettelijke rente over het achterstallige salaris betalen. Daarnaast veroordeelde de kantonrechter de werkgever tot het betalen van een transitievergoeding. Bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werknemer is voor het recht op een transitievergoeding vereist dat de werkgever zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. Het niet betalen van loon is daar een voorbeeld van. Aan de voorwaarde dat het dienstverband 24 maanden of langer heeft geduurd, moet uiteraard ook zijn voldaan.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBDHA20191632,7433163/18-50697 | 02-05-2019